Hieronder zie je per thema welke tijdlijnen zijn aangemaakt. In een tijdlijn zijn bronnen opgenomen. Indien een bron is opgenomen in een tijdlijn, vind je deze onder het kopje 'beschikbare tools' onder de bron.

Beschikbare thema’s
Tweede Wereldoorlog in Haarlem
Zorg dat je erbij komt!
1939 — 1940
Na de oproep voor mobilisatie beginnen verschillende militaire organisaties met het aantrekken van nieuwe krachten. In Haarlem werden deze propaganda-affiches opgehangen om mensen over te halen bij de marine te komen werken.
Nadat Nederland de Duitse bezetters het land overnamen, sloot de marine zich aan bij de geallieerden strijdkrachten. De marine is dan vooral actief bij de verdediging van Nederlands-Indië.
In staat van oorlog
1 september 1939
Op 1 september 1939 was Nederland officieel in staat van oorlog. Engeland, Frankrijk en Duitsland hadden elkaar de oorlog verklaard en de Tweede Wereldoorlog begon. Nederland sloot zich aan bij Engeland en Frankrijk, hoewel Nederland eigenlijk liever neutraal (onpartijdig) bleef. Het leger werd gemobiliseerd.
Het pamflet is ondertekend door de burgemeester van Haarlem: J.E. de Vos van Steenwijk. In 1941 werd hij afgezet en vervangen door de NSB-burgemeester S.L.A. Plekker.
Joodse jongen
1941 — 1943
Leo Snijders was een leerling op het Stedelijk Gymnasium. Op 23 oktober 1941 moesten alle Joodse kinderen op bevel van burgemeester Plekker naar een aparte school, het 'Joodsch Lyceum'. Leo is één van hen. Hij zat in 1941 en 1942 op deze school.
Op de foto zie je de klas van Leo. Hij zit achter zijn bureau, de tweede van links. Samen met zijn ouders werd hij uiteindelijk gedeporteerd (deportatie) en vermoord door de Duitsers. De meeste kinderen uit Leo's klas overleefde de oorlog niet.
Leo hield tijdens de oorlog het nieuws goed bij. Hij knipte artikelen uit kranten en plakte deze in schriftjes. Het werden een soort krantendagboekjes. Vlak voordat hij en zijn familie werden gedeporteerd, gaf hij de schriftjes af aan zijn buurjongen. Deze buurjongen gaf de schriftjes later aan het Noord-Hollands Archief, waar de schriftjes worden bewaard.
Wilhelmina in de sneeuw
19 januari 1941
Een klein symbool van verzet: in de sneeuw op het Staten Bolwerk is de naam van koningin Wilhelmina geschreven.
Voorschriften voor joden
1 april 1941
Haarlem is de eerste stad in Nederland die regels oplegt aan joden. In april 1941 werd dit gedaan door de toen net benoemde Haarlemse NSB-burgemeester S.L.A. Plekker. Hij wilde een 'goede' indruk achterlaten bij Anton Mussert, de leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) in Nederland.
Plekker verbood joden de toegang tot openbare plaatsen als bioscopen, parken, cafés en restaurants. Bordjes met daarop de tekst “Voor Joden verboden” verschenen in het Haarlemse straatbeeld. Hier zie je een lijst met regels waar joden zich aan moesten houden.
S.L.A. Plekker
december 1941
De Nationaal-Socialistische Beweging (NSB), een Nederlandse politieke partij die al bestond sinds 1931, kreeg in de oorlogsjaren meer macht omdat zij samenwerkten met de Duitsers (collaboratie). In december 1941 werden alle politieke partijen verboden, behalve de NSB.
Op 10 maart 1941 werd de zittende Haarlemse burgemeester ontslagen en vervangen door de NSB-burgemeester S.L.A. Plekker. Haarlemmers noemde hem al snel ‘Slaap Lekker’. Onder zijn leiding werden op 1 april 1941, als eerste stad in Nederland, anti-joodse maatregelen genomen. Hij wilde een 'goede' indruk achterlaten bij Anton Mussert, de leider van de NSB in Nederland. Plekker staat in het midden van de foto, Mussert aan de linkerkant. De foto is genomen tijdens een bezoek van Mussert aan Haarlem in december 1941.
Barre winter (1942)
1942
De winter van 1942 was zeer koud - het was 153 jaar lang niet zo koud geweest. Het zijn moeilijke maanden in de toch al zware oorlogsjaren. Het is echter niet alleen maar kommer en kwel. Op de filmbeelden zie je bijvoorbeeld jongens schaatsen. Een deel van de opnamen is gemaakt op de Wagenweg in Haarlem ter hoogte van het Florapark. Ook zijn er beelden van de Leidsevaart. De film is gemaakt door Han van Grieken.
Tijdens de oorlogsjaren zullen nog een aantal zeer strenge winters volgen.
NSB op het Klokhuisplein
1942
De Nationaal-Socialistische Beweging, een Nederlandse politieke partij die al bestond sinds 1931, kreeg macht omdat zij samenwerkten met de Duitsers (collaboratie). In december 1941 werden alle politieke partijen verboden, behalve de NSB. De NSB bleef wel altijd ondergeschikt aan het Duitse gezag. De jongerenafdeling van de NSB werd de Jeugdstorm genoemd.
De NSB liep regelmatig door de straten van Haarlem. Op deze foto inspecteert Cornelis Geelkerken, één van de oprichters van de NSB en leider van de Jeugdstorm, de troepen bij het Klokhuisplein. Geelkerken is de lange man in het zwarte uniform in het midden van de foto. Linksachter hem loopt S.L.A. Plekker, de NSB-burgemeester van Haarlem, beter bekend als ‘Slaap Lekker’.
Heel wat Haarlemmers maakten handig gebruik van de bezetting. Zij kregen bijvoorbeeld banen die zij in een andere situatie niet zouden krijgen. Ook zijn er veel Haarlemmers die als vrijwilliger in het Duitse leger dienden.
Mussert spreekt te Haarlem
30 maart 1942
Anton Mussert, leider van de NSB, kwam regelmatig in Haarlem om toespraken te geven bij bijeenkomsten van zijn partij. Op 30 maart 1942 hield hij een toespraak in het Concertgebouw. Voordat Mussert begon, werden er liederen gezongen als 'Daar klinken de trommels door de straten'. Zijn toespraak ging met name over Nederlands-Indië, dat dan net was veroverd door Japan.
Lees hier een verslag van de bijeenkomst in het Haarlems Dagblad van 31 maart 1942.
Centrale Keuken
1943
Tijdens de oorlogsjaren werd het steeds lastiger om aan voedsel te komen. Heel wat Haarlemmers komen naar de Teylerschool aan de Haarlemmerliedestraat 31 in de Amsterdamse Buurt. Daar deelt de Centrale Keuken voedsel uit.
Bombardement Amsterdamse buurt
17 april 1943
Op de eerste foto zie je een slachtoffer van het bombardement op de Amsterdamse buurt met haar inboedel aan de Amsterdamsevaart. Op de tweede foto zie je de schade in de Zuidpolderstraat.
Het bombardement van 16 april 1943 is het zwaarste bombardement dat Haarlem heeft meegemaakt. Bommen die bedoeld zijn om de werkplaats van de spoorwegen te vernielen, vallen allen in de woonwijken van de Amsterdamse buurt. De gevolgen zijn rampzalig: 85 doden, 43 zwaar- en 62 lichtgewonden. Meer dan zestienhonderd huizen lopen schade op, 84 daarvan zijn verwoest. Veel mensen raakten dakloos en moesten ergens anders gaan wonen.
Puinruimen door Jeugdstorm
17 april 1943
Na de bombardementen op de Amsterdamse buurt op 16 april 1943 werd de Jeugdstorm (jongerenafdeling van de NSB) opgetrommeld om te helpen met het ruimen van puin. Er zijn veel foto's gemaakt van deze actie, om propaganda te kunnen maken voor de NSB en de Jeugdstorm.
In kranten werden de geallieerde bommenwerpers afgeschilderd als brute monsters. De bommen zijn door Engelse bommenwerpers per ongeluk op de woonwijken van de Amsterdamse buurt gegooid, terwijl deze eigenlijk waren bedoeld om de werkplaatsen van de spoorwegen te vernielen.
Inleveren van radio's
28 mei 1943
In mei 1943 werd door de Duitse bezetters bepaald dat Nederlanders hun radiotoestellen moesten inleveren, met uitzondering van de leden van de NSB. De bezetters wilden zo voorkomen dat Nederlanders naar de Engelse radio luisterden. De Haarlemmers moesten hun radiotoestellen inleveren op 28 mei 1943. De toestellen werden opgeslagen in een gebouw van Vroom & Dreesmann op de hoek van de Korte Veerstraat en het Spaarne.
Veel Haarlemmers verstopten hun toestel om zo stiekem naar de radio te kunnen luisteren. Zij luisterden onder andere naar Radio Oranje, 'De stem van strijdend Nederland'. Dit is een radioprogramma van de gevluchte Nederlandse regering in Londen (in ballingschap). Het programma werd om 9 uur 's avonds uitgezonden door de BBC. Koningin Wilhelmina sprak via dit programma het Nederlandse volk toe.
Onderduikers Lutherse kerk
1944
De maatregelen van de Duitse bezetters werden aan het einde van de oorlog strenger. Om de oorlogsindustrie in Duitsland op gang te houden, dwongen de bezetters steeds meer Nederlandse mannen om naar Duitsland te gaan om daar te werken ('arbeidsinzet'). Om de arbeidsinzet te voorkomen, doken er mannen onder.
Op de zolder van de Lutherse kerk zat een groep Lutherse jongens ondergedoken. De dominee, de heer Spliethof, hielp hen daarbij en zorgde voor voedsel. De jongens krasten hun namen in de balken van de zolder. Deze namen zijn daar nu nog steeds te zien.
Aanslag op Fake Krist
1944
Op de Westergracht ligt de dode Fake Krist die door een aanslag van het verzet om het leven werd gebracht.
Fake Krist werkte sinds 1932 bij de Haarlemse politie. Hij was lid van de NSB en was tijdens de oorlog een van de meest fanatieke medewerkers van de Duitse Sicherheitsdienst (staatsinlichtingendienst van nazi-Duitsland). Hij heeft veel succes met het opsporen van joden, onderduikers en verzetslieden. In 1944 arresteerde hij in één nacht, met hulp van zijn medewerkers, zelfs 26 mensen.
Vanaf het voorjaar van 1944 luisterde het Haarlemse verzet zijn telefoontoestel op het politiebureau af. Het werd duidelijk dat hij inmiddels de namen kende van veel onderduikers en verzetslieden die hij nog wil gaan arresteren. In september 1944 besloot de leiding van het verzet in Haarlem en omgeving dat deze gevaarlijke verrader vermoord moest worden.
Drie pogingen mislukten. Op 25 oktober 1944 slaagde het Haarlems verzet. Op de Westergracht werd Krist om half negen 's ochtends neergeschoten door Gommert Krijger. Het is de bekendste aanslag van het Haarlems verzet. Gommert weet nog net te ontkomen, voordat de Duitsers de omgeving afzetten.
Bij toeval zijn ook Hannie Schaft en Truus Oversteegen op de Westergracht aanwezig om een aanslag op Krist te plegen, maar Gommert Krijger is hen voor. Schaft en Oversteegen kunnen net op tijd vluchten.
De Duitsers namen wraak voor de aanslag op Fake Krist. Tien mannen werden vanuit de gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam naar Haarlem gebracht. Bij het plantsoen achter de Kathedrale basiliek Sint Bavo werden zij in het openbaar doodgeschoten. Ook werd op de Westergracht brand gesticht in een blok van vier huizen.
Zelfbescherming tegen luchtaanvallen
28 februari 1944 — 5 maart 1944
Wat te doen tijdens een bombardement?
Begin 1944 organiseert de 'Nederlandse Vereeniging voor Luchtbescherming' een gratis tentoonstelling in het gebouw van de Haarlemse Kegelbond in de Tempelierstraat. Haarlem is dan al een aantal keren zwaar getroffen door bombardementen. In een advertentie in de Haarlemsche Courant worden alvast een aantal tips gegeven: "Bescherm uw vrouw en kinderen door uw huis goed te verduisteren, uw zolder op te ruimen en overal zand en water neer te zetten. Pak ook een koffer in met kleding."
Gesmokkelde lapjes
16 april 1944
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was op het Haarlemse gemeentehuis de ‘Stadhuisgroep’ actief. Dit was een verzetsgroep die onder andere illegaal voedselbonnen en valse persoonsbewijzen verspreidde onder onderduikers. Ook Jetty Velu raakte betrokken. Jetty had op dat moment verkering met Ben Kiphardt, een van de bezorgers van de bonnen.
Op 27 maart 1944 werden leden van de Stadhuisgroep gearresteerd door de Haarlemse Sicherheitsdienst (staatsinlichtingendienst van nazi-Duitsland) onder leiding van Fake Krist. Ook Jetty werd gearresteerd en werd naar de gevangenis in Amsterdam gebracht (Euterpestraat). Ze was toen 25 jaar. Vanuit deze gevangenis verstuurde ze stiekem berichten aan haar familie en aan Ben. Deze berichten schreef ze op linnen lapjes, welke ze verstopte in haar was. Omdat haar familie Jetty's was mocht verzorgen, lukte het Jetty om met hen en met Ben in contact te blijven.
Eind mei 1944 werd Jetty overgebracht naar concentratiekamp Vught. Daarna kwam zij terecht in kamp Ravensbrück (ten noorden van Berlijn) en vrouwenkamp Reichenbach in Polen. In januari 1945 werd Jetty teruggestuurd naar Haarlem. Na de oorlog werd Jetty verpleegd in twee herstellingsoorden voor oud-illegale werkers en verzetsdeelnemers.
>> Zie de transcriptie van de lapjes onder 'Beschikbare tools'.
Evacuaties (1944)
september 1944
Henk Wieringa was acht jaar oud toen de Duitsers Nederland veroverden en Haarlem binnenvielen. Als kleine jongen verzamelde Henk allerlei spulletjes die te maken hebben met de bezetting. Hij vond van alles tijdens zwerftochten door en rond de stad. De oorlog vond Henk vooral een spannende tijd.
In het gezin Wieringa werd voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog veel gesproken over de bezetting en de ontwikkelingen in Haarlem en de rest van Nederland. Twee oudere broers moesten onderduiken voor de arbeidsrazzia's, ze verstopten zich op zolder. Een Joods vriendje moest van de Duitse bezetting verhuizen naar Amsterdam. Gelukkig overleefden zij allemaal de oorlog.
In dit fragment uit 2010 vertelt Henk over de evacuatie van Haarlem in september 1944. Het gaat om alle bewoners die wonen ten noorden van de Jan Gijzenvaart, ten westen van de Delft, ten noorden van het IJsclubterrein, in de Van Riebeecklaan en omgeving, en ten slotte in het Ramplaankwartier. De evacuatie zorgde voor grote mensenstromen in de stad. Henk vertelt over de evacuatie van Haarlem West.
Dolle Dinsdag
5 september 1944
Eind augustus 1944 leek het alsof de geallieerden snel dichterbij kwamen en de oorlog bijna voorbij was. Op dinsdag 5 september zorgde dit voor zoveel paniek bij NSB'ers en andere collaborateurs, dat zij op de vlucht sloegen. Ook burgemeester S.L.A. Plekker vertrok naar het oosten.
Op de foto zie je een groep NSB'ers richting het station lopen, waar de treinen richting Duitsland vertrekken.
Het bleek echter loos alarm. Enkele zeer zware oorlogsmaanden volgden.
Evacuatie Haarlem-Noord
21 september 1944
Bewoners van Zandvoort en Velsen moesten van de Duitsers noodgedwongen hun huizen verlaten omdat zij in een gebied woonden waar de Duitsers ruim schootsveld wilden hebben (veel huizen werden afgebroken).
Op 19 september 1944 werd bekend gemaakt dat ook een groot deel van Haarlem-Noord werd geëvacueerd. Alle mensen wonende boven de Jan Gijzenvaart moesten hun koffers pakken. De evacuatie zorgde voor grote mensenstromen in de stad. Er was een tekort aan voertuigen waardoor de bewoners moesten verhuizen met behulp van de vreemdste voertuigen en karren.
Gevangenentransport
11 november 1944
Op zaterdag 11 november 1944 kwam een lange trein met goederenwagons tot stilstand bij het station aan de Westergracht. In de wagens zaten mannen uit Rotterdam en Schiedam. De mannen waren door de Duitse bezetters opgepakt bij een razzia om gedwongen te gaan werken in Duitsland.
De razzia in Rotterdam en Schiedam duurde twee dagen. Ongeveer 50.000 mannen tussen 17 en 40 jaar oud werden daarbij opgepakt. Bijna 10.000 van hen werden in goederentreinen vervoerd, met haast niets te eten en onder zeer slechte omstandigheden. De treinen reden niet snel en stopten vaak. Soms omdat er sabotage was gepleegd door het verzet, soms omdat geallieerde vliegtuigen de spoorlijnen bombardeerden. Dan moest er gewacht worden op herstel van het spoor.
Op zaterdag stopte een trein bij het goederenstation Westergracht omdat het Haarlemse verzet de spoorlijn had gesaboteerd bij de brug over de Zijlweg. Er gebeurde van alles, ook omdat de Duitse bezetters het toezicht slecht regelen. Zo brachten Haarlemmers voedsel naar de mannen in de treinen en ontsnapten er enkele Rotterdammers. Een Rotterdammer nam een Haarlems meisje, dat bij de voedseluitdeling betrokken was, aan de arm en wandelde weg, alsof hij haar vriendje was. Een bakker die brood bracht met zijn kar nam in de lege bak een man mee en fietste er rustig mee weg.
Mattie duikt onder
6 december 1944 — 12 december 1944
De maatregelen van de Duitse bezetters werden aan het einde van de oorlog steeds harder. Om de oorlogsindustrie in Duitsland op gang te houden, organiseerden de bezetters grote razzia's. Zo namen ze veel Nederlandse mannen gevangen, die verplicht in Duitsland moesten werken. Dat werd 'arbeidsinzet' genoemd. De grootste razzia vond plaats op 6 december 1944, de ochtend na Sinterklaasavond ('Sinterklaasrazzia').
Dit briefje lag die ochtend om 9 uur bij alle inwoners van Haarlem en omstreken op de deurmat. Zo ook bij Mattie Luder. Hij was toen17 jaar en oud genoeg om opgepakt te worden. Hij dook onder. Die dag werd rond 12 uur 's middags zijn huis doorzocht, maar hij werd niet gevonden. Ongeveer 2.000 mannen werden die dag wel opgepakt en naar Duitsland gestuurd.
Tijdens het onderduiken hield Mattie een dagboek bij. Daarin schreef hij onder andere dat hij zich erg verveelde en graag naar de kapper wilde.
Sinterklaasrazzia
6 december 1944
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden de Duitsers meer arbeiders nodig voor hun wapenfabrieken. Daarom organiseerden de Duitse bezetters in Nederland razzia's. Zo konden ze Nederlandse mannen gevangen nemen en naar de Duitse fabrieken sturen. In Haarlem vond de grootste razzia plaats op 6 december 1944, de ochtend na Sinterklaasavond. Haarlemmers vonden toen in hun brievenbus het bericht dat alle mannen van 17-40 jaar zich moesten melden voor de zogenaamde arbeidsinzet. Ongeveer 2.000 mannen werden naar Duitsland gestuurd.
De heer Krimp schreef een ooggetuigenverslag over de Sinterklaasrazzia en het concentratiekamp Rees. De gevangenen moesten daar dwangarbeid verrichten. De heer Krimp zat bij het verzet. Hij reisde af naar Rees om daar samen met andere verzetsstrijders gevangenen te helpen ontsnappen. Een aantal gevangenen lukte dit. Na de bevrijding werkte Krimp voor het Haarlems Comité Nazorg Kamp Rees. Zijn belangrijkste taak was het identificeren van de slachtoffers van Rees.
Op de hier afgebeelde bladzijde vertelt de heer Krimp over de Sinterklaasrazzia.
Bloembollen als voedsel
1945
De maanden tussen september 1944 en de bevrijding wordt de ‘hongerwinter’ genoemd. Er was in die maanden weinig transport mogelijk, waardoor er zeer moeilijk aan voedsel te komen is. Om aan eten en drinken te komen reisden mensen af naar boeren op het platteland, zogenaamde 'hongertochten'.
Er werd ook geprobeerd om andere dingen te eten, zoals bloembollen. Deze bleken eetbaar te zijn en, omdat de export van de bloembedrijven stil lag, waren er genoeg te koop.
In de Haarlemsche Courant en andere kranten verschijnen recepten voor het bereiden van de bollen: tulpenbollenbrood, tulpenbollensoep en tulpenbollencake. Schijfjes bol, geroosterd op een hete kachel, zijn een lekkernij. Er werd echter ook gewaarschuwd: niet alle bollen zijn eetbaar, hyacinten zijn bijvoorbeeld giftig. De tulpenbol werd een symbool van armoede en voedselgebrek.
Truus Oversteegen en Hannie Schaft
1945
Er zijn verschillende soorten verzet tegen de Duitse bezetter, zoals het verspreiden van illegale kranten of het opnemen van joodse kinderen in een gezin. Ook werd er gewapend verzet gepleegd.
Hannie Schaft is een van de bekendste verzetsstrijdsters uit de Tweede Wereldoorlog. Samen met haar vriendin Truus Oversteegen pleegt ze aanslagen op NSB'ers en saboteert ze spoorlijnen en bruggen. De foto is door onderduiker Harold van Welsenes gemaakt in de Iordensstraat. In de tassen die de vrouwen bij zich hebben zijn pistolen verborgen. Hannie staat rechts op de foto, links staat Truus vermomd als man.
Hannie Schaft werd op 17 april 1945 doodgeschoten door de Duitse bezetters, nog geen drie weken voor de bevrijding.
Voedseldropping
29 april 1945
Na een koude hongerwinter werd er vanaf april 1945 vanuit laagvliegende vliegtuigen van de geallieerden voedsel naar beneden gegooid. Het voedsel landde veilig in de weilanden langs onder andere de Rijksweg (foto). Het voedsel bestond onder meer uit thee, margarine, 'eieren in poedervorm' en bonen.
Je ziet ook een aantal pagina's uit een rapport over de voedseldropping en pagina's uit een plakboek van Frans Volkert Redeker.
Dagboek Jo van der Vooren
6 mei 1945 — 7 mei 1945
Hier zie je een pagina uit het dagboek van de Haarlemse bakkersdochter Jo van der Vooren, 1940-1945. De bakkerswinkel was te vinden aan de Kritzingerstraat 40 in de Indische Buurt.
Jo schrijft over de bevrijding van Haarlem en de feestelijkheden die daarop losbarsten: "Eén hossende, zingende, juichende, dringende menigte in alle straten. Overal wapperden onze geliefden vlaggen", zo schrijft Jo. In haar oranje jurk ging zij samen met vriendinnen de stad in. Jo schrijft ook over wat er met de NSB-ers gebeurde. Bij hun huizen en op plaatsen waar zij bijeen kwamen, zoals aan de Schoterweg, werden stenen door de ruiten gegooid. Frustratie en lang opgekropte woede werden op deze manier geuit. Maar het meest kregen de meisjes het te verduren die een relatie waren aangegaan met Duitsers, de zogenaamde moffenmeiden. Hun hoofden werden kaalgeschoren en ze werden publiekelijk belachelijk gemaakt.
>> Bekijk de transcriptie van dit document onder 'Beschikbare tools'
Bevrijding
8 mei 1945
De bevrijding kondigde zich aan op 2 mei 1945 toen zware bommenwerpers over de stad vlogen. Ditmaal echter niet geladen met bommen, maar met voedselpakketten. Op 4 mei werd bekend dat de Duitsers zich overgaven.
Op 8 mei 1945 was het groot feest in de stad. Op de foto zie je Canadese militairen door de Grote Houtstraat rijden.
De inwoners van Haarlem stonden in rijen langs de straat om hen te begroeten. De Canadezen kregen bloemen en werden door wildvreemden omhelst. Onder de inwoners werd chocolade en sigaretten uitgedeeld. Meisjes en jongens mochten meerijden op de wagens.
Verwijderen van NSB-posters
8 mei 1945
Na de bevrijding worden op de hoek van de Grote Houtstraat en de Doelstraat NSB-propagandaposters van de muren gescheurd.
Terugkeer uit Duitsland
juli 1945
Veel Nederlandse mannen werden door de Duitse bezetters opgepakt, in Haarlem onder andere tijdens de zogenaamde Sinterklaasrazzia. De mannen werden naar Duitsland gestuurd om daar dwangarbeid te verrichten. In juli 1945 komen honderden van deze Nederlanders weer terug naar huis. Op deze foto zie je Haarlemse mannen onder luid gejuich aankomen op het station.

Zorg dat je erbij komt!

In staat van oorlog

Joodse jongen

Wilhelmina in de sneeuw

Voorschriften voor joden

S.L.A. Plekker

Barre winter (1942)

NSB op het Klokhuisplein

Mussert spreekt te Haarlem

Centrale Keuken

Bombardement Amsterdamse buurt

Puinruimen door Jeugdstorm

Inleveren van radio's

Onderduikers Lutherse kerk

Aanslag op Fake Krist

Zelfbescherming tegen luchtaanvallen

Gesmokkelde lapjes

Evacuaties (1944)

Dolle Dinsdag

Evacuatie Haarlem-Noord

Gevangenentransport

Mattie duikt onder

Sinterklaasrazzia

Bloembollen als voedsel

Truus Oversteegen en Hannie Schaft

Voedseldropping

Dagboek Jo van der Vooren

Bevrijding

Verwijderen van NSB-posters

Terugkeer uit Duitsland
Canon van Velsen
Wonen
Houten huizen
1400 — 1625
Omdat huizen tijdens de middeleeuwen van hout werden gemaakt, zijn er niet veel bewaard gebleven. Door het hout konden stadsbranden zich snel verspreiden. Op de afbeelding zie je een aantal huizen die op een oude kaart van Haarlem uit 1578 voorkomen, maar op een kaart uit 1655 niet meer te zien zijn.
Er waren veel regels voor het stoken van vuur binnen de huizen, maar een brand kon niet altijd worden voorkomen en leidde soms zelfs tot het afbranden van een groot deel van de binnenstad (zoals in 1347).
Vanaf de 14e eeuw werden er meer huizen van steen gemaakt, maar de bouw van houten huizen bleef tot ver in de 16e eeuw nog veel voorkomen.
Hollandse renaissance
1575 — 1600
De huizen die je op deze foto ziet komen uit het einde van de 16e eeuw en hebben twee identieke trapgevels van het Haarlemse type.
De Renaissance-stijl waarin deze twee huizen zijn gebouwd, ontstond in de 14e eeuw in Italië, door een herontdekking van de werken van de Oud-Romeinse Vitruvius.
Tegen het midden van de 16e eeuw stromen de renaissanceversieringen geleidelijk aan ons land binnen. Deze trapgevels lijken op de trapgevel van de Vleeshal aan de Grote Markt, hét Haarlemse voorbeeld van de Noordelijke Renaissance.
Interieur brouwerswoning (17e eeuw)
1600 — 1923
Het interieur op de tekening is van de woning van de brouwer van de bierbrouwerij "'t Scheepje", nog geheel in 17e-eeuwse staat, compleet met bedstede en meubilair. Ook voor de 17e eeuw was dit een spraakmakend mooi interieur. Je ziet dit aan de versieringen bij de openhaard, aan de wanden en de kroonluchter aan het plafond. Deze tekening dateert uit 1916, toen het interieur zich nog op de Houtmarkt in Haarlem bevond.
Dit 17e-eeuwse interieur is op dit moment nog steeds in haar oorspronkelijke staat te zien: het is opgenomen in de collectie van het Philadelphia Museum of Art in de Verenigde Staten. Op de foto's zie je de kamer zoals deze nu te zien is in Philadelphia.
De haard is versierd met tegels en beeldhouwwerk in zandsteen en eikenhout. Boven de tafel hangt een koperen kroonluchter. Achter in de hoek van de kamer staat een linnenpers: daarmee perste je het beddengoed glad, voordat je het in de linnenkast legde. Links naast de haard staat een stoof: die was bedoeld om je voeten te verwarmen. En rechts naast de haard hangt een koperen beddenpan die werd gebruikt om de bedstede voor te verwarmen.
Neoclassicisme
1785 — 1789
Het tegenwoordige Provinciehuis van Noord-Holland (Paviljoen Welgelegen) kent een grote geschiedenis. Zo woonde Lodewijk Napoleon (1808-1810) er en bood het onderdak aan diverse musea.
Het huis is tussen 1785 en 1789 gebouwd in opdracht van de rijke Amerikaans-Amsterdamse bankier Henry Hope. Hij vond daar een waardig onderdak voor zijn kunstcollectie.
De neoclassicistische stijl is kenmerkend voor de periode waarin dit huis is gebouwd. Na de eerdere Lodewijk-stijlen ontstond er een reactie op de krullen en rococovormen die vooral ter decoratie werden gebruikt. Men keerde terug naar de klassieke vormen. Dit uitte zich in de zogenaamde Lodewijk de zestiende-stijl, het neoclassicisme dat op deze afbeeldingen te zien is.
Hodshonhuis (1800)
1800 — 2001
Hoewel het gebouw zelf in de neoclassicistische stijl is gebouwd, kent dit huis een van de eerste interieurs in de Empire-stijl van Nederland. De Empire-stijl is ook wel de stijl van Napoleon Bonaparte en komt op in het eerste deel van de 19e eeuw. Het is verwant aan de classicistische Lodewijk XVI-stijl.
De vloer van de hal is bedekt met marmer. De vertrekken rondom de hal zijn zeer modieus, kleurrijk en exotisch.
Interieur Lange Veerstraat (1850)
1850
Het interieur op de afbeelding is van de woning aan de Lange Veerstraat 13 rond 1850. Links op de tekening zie je een bedstede.
De 'Veerstrate' is vernoemd naar de veerhuizen aan het Spaarne in de 14e eeuw. Een veerhuis was een café waar men kon wachten tot zij met de veerboot konden oversteken. De veernman woonde in het veerhuis.
Joodse synagoge
1860 — 1911
De tweede helft van de 19e eeuw tot het begin van de 20e eeuw stond vooral in het teken van de neostijlen. Zo is er de neogotiek (1860–1890), die vooral werd gebruikt voor de bouw van gebouwen met aanzien.
Op de foto zie je de synagoge die vanaf 1841 aan de Lange Begijnestraat stond. Het pand vormde tot de Tweede Wereldoorlog het hart van de Haarlemse Joodse gemeenschap.
Het opvallende bakstenen gebouw is voorzien van twee hoge torens die geïnspireerd zijn op het middeleeuwse karakter van de gotiek. Deze stijl is een reactie op de koele vormen van het classicisme en is ontstaan uit een romantische belangstelling voor de stijlen uit de middeleeuwen.
In de Heilige Arke (eerste foto van het interieur) werden de wetsrollen bewaard. In het midden van de synagoge stond de bima (tweede foto van het interieur). De bima is een verhoging waarop voorgelezen werd uit de Torah. De mannen zaten aan de weerszijden van de bima, in de galerij (boven) zaten de vrouwen.
Neorenaissance
1873
Naast de neogotiek is ook de neorenaissance (1875–1915) een belangrijke negentiende-eeuwse stroming in de bouwkunst. Dit kantoorgebouw aan het Florapark is hier een voorbeeld van.
Het gebouw werd in 1888 ontworpen door F.G. Haitsma Mulier in opdracht van Anna Elisabeth Prins-Crommelin en maakte onderdeel uit van het plan voor de aanleg en bebouwing van het Hazepatersveld. Aan het Florapark werden acht vrijstaande villa’s gebouwd, waarvan er nu nog zeven staan. Het Florapark werd in 1873 inworpen door L.P. Zocher.
De neorenaissance bouwstijl werd voornamelijk toegepast bij overheidsgebouwen en, als reactie op de voornamelijk katholieke neogotiek, bij protestantse kerken. De stijl is gebaseerd op de renaissance stijl van de zeventiende eeuw.
Interieur Villa Petit (1897)
1897
Op de foto zie je de vestibule (ontvangstruimte) van Villa Petit aan Florapark 14. Op de tweede foto zie je de salon. De derde foto is van een eetkamer. De foto's zijn genomen in 1897.
Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er tot 1873 geen woning op deze locatie heeft gestaan. Tussen 1894 en 1939 stond hier een villa van mevrouw H. de Petit. De villa werd in Hollandse renaissancestijl gebouwd met decoratieve elementen van natuursteen, erkers en een torenachtige opbouw. De begane grond van de villa bestond uit een salon, veranda, woonkamer, eetkamer, dessertkamer, speelkamer, knechtskamer en een grote brandkluis. Op de eerste verdieping waren vier slaapkamers, een badkamer, logeerkamer, kinderkamer, antiekkamer en een boudoir. Op de zolder vond je de knechtskamers, dienstbodekamers, mangelkamer en de ruimte voor de centrale verwarming. Na 1939 werd er op deze locatie een schoolgebouw gebouwd.
Fabriekswoningen in aanbouw
1902
Tijdens de twintigste eeuw groeide Haarlem snel. Op deze foto zie je fabriekswoningen in aanbouw op de terreinen van ''t Klooster' in 1902.
Interieur achttiende eeuw
1995
Op de foto zie je een interieur uit het eind van de 18e eeuw. Het is afkomstig uit een herenhuis aan de Nieuwe Gracht in Haarlem en wordt nu bewaard in het Rijksmuseum te Amsterdam. De wanddecoraties, het volledige meubilair, de kostbare stoffen behangsels, de gordijnen en het vloerkleed: het is allemaal bij elkaar bewaard gebleven.

Houten huizen

Hollandse renaissance

Interieur brouwerswoning (17e eeuw)

Neoclassicisme

Hodshonhuis (1800)

Interieur Lange Veerstraat (1850)

Joodse synagoge

Neorenaissance

Interieur Villa Petit (1897)

Fabriekswoningen in aanbouw

Interieur achttiende eeuw
Grote Markt door de eeuwen heen
Stadhuis (1770)
1250
Op deze tekening zie je het stadhuis van Haarlem op de Grote Markt. Op deze plaats stond eerst het jachtslot voor de Graven van Holland, gebouwd in 1250. Graaf Floris V gebruikte dit jachtslot als woonhuis wanneer hij naar Haarlem kwam om belastinggeld te innen. Tijdens een grote stadsbrand in 1351 brandde het slot bijna helemaal af.
Na de herbouw werd het gebouw in gebruik genomen als stadhuis. Uit die periode dateert het gebouw zoals dat er nu nog steeds staat. In dezelfde tijd werd de Vierschaar gebouwd voor het gerechtelijk bestuur, herkenbaar aan de vier zuilen aan de rechtervoorzijde van het gebouw. Vóór de Vierschaar stond het schavot waar misdadigers werden gestraft. In de afgelopen eeuwen is het stadhuis een aantal keer verbouwd.
Veel belangrijke gebouwen in de stad, zoals het Stadhuis, de Vleeshal en de Waag zijn ontworpen door Lieven de Key. Hij was een van de belangrijkste Nederlandse bouwmeesters van de Hollandse Renaissance. Oorspronkelijk kwam hij uit Gent. De Key was een van de vele emigranten uit de Zuidelijke Nederlanden toen in 1584 de Hertog van Parma dit gebied heroverde voor het katholieke Spanje.
De prent is is gemaakt door Cornelis van Noorde in 1770. Je ziet een 'sleper', een soort koets zonder wielen. Zoals op veel prenten uit die tijd zie je ook spelende kinderen en spelende honden.
Vleeshal
1560 — 1627
Lieven de Key, afkomstig uit Vlaanderen, werd in 1593 uitgeroepen tot Stadsbouwmeester van Haarlem. Hij ontwierp de Waag en vernieuwde de Grote Kerk en de toren van de Nieuwe Kerk.
Op verzoek van het stadsbestuur maakt De Key in 1601 twee ontwerpen voor de Vleeshal aan de Grote Markt. Het ene ontwerp met een klassieke gevelbekroning en het andere met ‘gekanteelde trapgevels’. Er werd gekozen voor de duurdere trapgevel en in plaats van gebakken dakpannen of dakleien werd er gekozen voor een dure loodbedekking. Het toont aan dat het economisch gezien goed ging met Haarlem in de 'Gouden Eeuw'.
De eerste steen werd gelegd in 1602 en het gebouw was klaar in 1604.
Stadhuis (1628)
1628
Op deze prent is het stadhuis op de Grote Markt in Haarlem afgebeeld.
De groenmarkt voor het stadhuis
1641
Naast de vis-en de vleesmarkt had Haarlem ook een groenmarkt. Op de schets van Gerard Terborch zie je de groenmarkt. Wat opvalt aan de schets zijn de grote hoeveelheid manden.
Grote Markt, Grote Kerk en vismarkt
1670 — 1880
Op deze tekening wordt de Grote Markt in Haarlem afgebeeld. Onder andere een vismarkt, de Grote of St. BavoKerk en een biersleper zijn te herkennen op de afbeelding. Het schilderij van Berkheyde werd in maart 1880 voor 4750 florijnen (bijna 50.000 euro) verkocht in Florence.
Gerrit Berkheyde werd door zijn oudere broer (Job) en Frans Hals opgeleid tot schilder. Gerrit verdronk in 1698 in de Haarlemse Brouwersvaart.
Stadhuis (1671)
1671
Hier zie je het stadhuis van Haarlem op de Grote Markt. Op deze plaats stond eerst het jachtslot voor de Graven van Holland, gebouwd in 1250. Graaf Floris V gebruikte dit jachtslot als woonhuis wanneer hij naar Haarlem kwam om belastinggeld te innen. Zijn vader Willem II koos Den Haag als vaste woonplaats, waarna hij het slot aan de stad schonk. Tijdens een grote stadsbrand in 1351 brandde het slot bijna helemaal af.
Na de herbouw werd het gebouw in gebruik genomen als stadhuis. Uit die periode dateert het gebouw zoals dat er nu nog steeds staat. In dezelfde tijd werd de Vierschaar gebouwd voor het gerechtelijk bestuur, herkenbaar aan de vier zuilen aan de rechtervoorzijde van het gebouw. Vóór de Vierschaar stond het schavot waar misdadigers werden gestraft. In de afgelopen eeuwen is het stadhuis een aantal keer verbouwd.
Veel belangrijke gebouwen in de stad, zoals het Stadhuis, de Vleeshal en de Waag zijn ontworpen door Lieven de Key. Hij was een van de belangrijkste Nederlandse bouwmeesters van de Hollandse Renaissance. Oorspronkelijk kwam hij uit Gent. Lieven de Key was een van de vele emigranten uit de Zuidelijke Nederlanden toen in 1584 de Hertog van Parma dit gebied heroverde voor het Katholieke Spanje.
Vismarkt (1692)
1692
Rondom de Grote Markt zijn veel belangrijke Haarlemse gebouwen te vinden, zoals de Grote- of Sint Bavokerk, de vleeshal en het stadhuis. Gerrit Adriaenszoon Berckheyde schilderde aan het einde van de zeventiende eeuw een groot aantal stadsgezichten, waaronder deze drie van de Grote Markt. Berckheyde schilderde de Grote Markt met de Grote- of Sint Bavokerk meer dan twintig keer in zijn leven. De Vishal, een vismarkt overdekt om stankoverlast te voorkomen, is verbonden aan de noordzijde van de kerk. Aan de andere kant van de kerk bevond zich de Vleeshal waar slagers hun vlees verkochten.
Het schilderen leert hij van zijn oudere broer, Job Adriaenszoon Berckheyde. Samen wonen zij een tijd in een pand naast de Grote- of Sint Bavokerk en zijn ze lid van de zogenaamde Rederijkerskamer (amateur-dichters en voordrachtkunstenaars). Gerrit verdronk in de Brouwersgracht in 1698 en werd begraven in de St. Janskerk.
De Grote Markt (1696)
1696
Rondom de Grote Markt zijn veel belangrijke Haarlemse gebouwen te vinden, zoals de Grote of Sint-Bavokerk, de vleeshal en het stadhuis. De Vishal, een overdekte vismarkt om stankoverlast te voorkomen, is verbonden aan de noordzijde van de kerk. Aan de andere kant van de kerk bevond zich de Vleeshal waar slagers hun vlees verkochten.
Gerrit Adriaenszoon Berckheyde schilderde aan het einde van de zeventiende eeuw een groot aantal stadsgezichten, waaronder deze van de Grote Markt. Berckheyde schilderde de Grote Markt met de Grote of Sint-Bavokerk meer dan twintig keer in zijn leven.
Het schilderen leerde hij van zijn oudere broer, Job Adriaenszoon Berckheyde. Samen woonden zij een tijd in een pand naast de Grote of Sint-Bavokerk en waren ze lid van de zogenaamde Rederijkerskamer (amateur-dichters en voordrachtkunstenaars). Gerrit verdronk in de Brouwersgracht in 1698 en werd begraven in de St. Janskerk.
Vismarkt
1767
Hier zie je een tekening van de Grote Markt in Haarlem ter hoogte van de Vishal. De tekening is gemaakt door Cornelis van Noorde in 1767.
De Grote Markt (1848)
1848
Op dit schilderij wordt de Grote Markt in Haarlem afgebeeld. Zoals op vele stadsgezichten zijn er honden en paarden afgebeeld.
Stadhuis (1865)
1865
Grote Markt (1892)
1892
Hier zie je een foto van de Grote- of St. Bavokerk in Haarlem uit 1892. Nadat de kerk vroeger al vaak was getekend en geschilderd, werd hij in de loop van de 19e eeuw een gewild object voor fotografen. Je ziet duidelijk dat het straatbeeld intussen behoorlijk is veranderd. Er zijn gaslantaarns geplaatst. In 1856 is er een groot beeld van Laurens Janszoon Coster verrezen. Onderin beeld zie je twee paardentrams en een weerhuisje.
Grote Markt (1959)
1959
De Grote Markt voor de herinrichting van 1966.
Grote Markt (1969)
1969
Grote Markt na de herinrichting van 1966.

Stadhuis (1770)

Vleeshal

Stadhuis (1628)

De groenmarkt voor het stadhuis

Grote Markt, Grote Kerk en vismarkt

Stadhuis (1671)

Vismarkt (1692)

De Grote Markt (1696)

Vismarkt

De Grote Markt (1848)

Stadhuis (1865)

Grote Markt (1892)

Grote Markt (1959)

Grote Markt (1969)
Mode
Karel van Mander
1600 — 1690
Karel van Mander werd geboren in Meulebeke (Vlaanderen) in 1548. Vanaf 1583 woonde hij twintig jaar in Haarlem. Samen met Cornelis van Haarlem en Hendrick Goltzius schijnt Van Mander een kleine studieclub (Haarlemse Academie) te hebben opgericht waar zij naakte modellen schilderden. Dit was in die tijd verboden.
Zijn laatste jaren leefde Van Mander in Heemskerk, in Stevenbergen en in Amsterdam. Daar overleed hij op 58-jarige leeftijd. Zijn laatste woorden zouden zijn geweest: 'Als de doot komt daer en is geen anderen raet, dan stille legghen en sterven.'
Karel van Mander heeft ook boeken geschreven. Het belangrijkste is Het Schilder-Boeck uit 1604. Dit boek is bedoeld als handleiding voor schilders die verhalen uit de klassieke mythologie willen afbeelden. Het bevat informatie over renaissancistische schildertechnieken die Van Mander had geleerd in Italië en uitleg bij sommige mythologische verhalen. Dus ook schilders die de verhalen niet kenden konden door dit boek de voorstellingen goed weer te geven.
Karel van Mander schilderde in de stijl van het maniërisme en de Renaissanse.
Welvarende vrouw
1635
Dit portret is gemaakt door Judith Leyster in 1635, de tijd van de Barok. De kleding die door deze onbekende vrouw werd gedragen zegt veel over deze tijd. Zo zie je de molensteen- of lubbenkraag rondom haar hals.
De molensteenkraag is een ronde kraag van geplooid wit linnen. Deze kraag was in Nederland in de mode vanaf het einde van de zestiende eeuw tot en met het eerste kwart van de zeventiende eeuw. De lubbenkraag begon klein, maar kreeg een steeds grotere diameter, totdat hij tenslotte op een molensteen leek.
Het maken van zulke grote kragen was een ingewikkeld en tijdrovende klus, dat werd uitgevoerd door specialisten, meestal Vlaamse en Hollandse vrouwen. Voor een molensteenkraag was heel veel stof nodig, soms wel 15 meter. Meestal werd linnenbatist gebruikt, zeer fijn geweven linnen, dat vaak nog werd versierd met kloskant. Na het wassen en stijven werd de stof gerimpeld of met plooien aan een boord gezet en daarna met rondzetijzers of pijperijzers bol gestreken. De kostbare kragen werden gedragen door welgestelde heren en dames.
De haren van de vrouw zijn verborgen onder een wit kapje. Nederlandse vrouwen droegen in het eerste kwart van de zeventiende eeuw meestal twee mutsjes. Onder een 'onderkapje' werd het haar weggestoken. Van dit kapje was vrijwel niets te zien, hoewel het van kostbaar kant gemaakt kon zijn. Daaroverheen droeg de vrouw een sierkap.
De vrouw op het schilderij draagt een vlieger: een lange jurk met kortere mouwen die werden afgemaakt door ponjetten (losse manchetten van kant) om haar polsen.
De Barok in Nederland loopt gelijk met de 'Gouden Eeuw'. Jonge welvarende kooplieden begonnen zich te kleden als mensen van adel. De afgebeelde vrouw behoorde waarschijnlijk tot de burgerklasse van Haarlem, waartoe bijvoorbeeld kooplieden en bierbrouwers behoorden.
Uit het korset
1791
De Franse Revolutie (1789) beïnvloedde ook de mode in Nederland. Omdat de Franse Revolutie in het teken stond van de vrijheid, bevrijden de vrouwen zich uit het korset en gaan ze over op een wat vormloze jurk met een decolleté dat is opgevuld met een halsdoek van batist (dun linnen). Deze stijl is gebaseerd op de klassieke oudheid, de fascinatie hiervoor werd aangewakkerd door de vondsten in Pompeï.
Klarinetspeler
1813
De mannenmode aan het begin van de 19e eeuw was geïnspireerd op de stijl uit de klassieke oudheid. De modellen werden strakker en er werden wat zwaardere stoffen gebruikt. Het haar werd kort gehouden en boven de wenkbrauwen afgesneden, zoals op deze afbeelding van (waarschijnlijk) Philippe Christiani te zien is. Christiani speelde onder andere in het orkest van het Franse theater in Amsterdam
Deze stijl - ook wel empire genoemd - is populair in de regeerperiode van de Franse keizer Napoleon.
De schilder van dit schilderij, Johannes Reekers, werd in 1790 geboren in Amsterdam. Zijn ouders stierven toen Johannes nog jong was, waardoor hij opgroeide in een weeshuis. Op het moment van overlijden in 1858 woonde Reekers aan de Schagchelstraat.
Jonkvrouw
1823
Dit schilderij van jonkvrouw Anna Elisabeth Huydecoper komt uit het begin van de 19e eeuw. Aan dit schilderij kun je goed zien wat voor soort kleding door rijke vrouwen werd gedragen in deze tijd.
De kraag die ze hier draagt heet een collerette. Dit is een opstaande kraag met rushes over het decolleté en ontblote schouders.

Karel van Mander

Welvarende vrouw

Uit het korset

Klarinetspeler
